Bosko

Lezingen van de dag

De Bijbellezingen die voor de dag zijn vastgesteld, met de volledige tekst in uw eigen taal. Volg elke ochtend de dagelijkse lezingen van uw traditie in de Bosko-app.

Ochtendgebed — eerste lezing

Judith 9

Van dit boek bestaat in uw taal geen uitgave in het publieke domein, en daarom wordt deze passage in het Engels weergegeven.

But Judith fell upon her face, and put ashes upon her head, and uncovered the sackcloth with which she was clothed. The incense of that evening was now being offered at Jerusalem in the house of God, and Judith cried to the Lord with a loud voice, and said, “O Lord God of my father Simeon, into whose hand you gave a sword to take vengeance on the strangers who loosened the belt of a virgin to defile her, uncovered the thigh to her shame, and profaned the womb to her reproach; for you said, ‘It shall not be so;’ and they did so. Therefore you gave their rulers to be slain, and their bed, which was ashamed for her wo was deceived, to be dyed in blood, and struck the servants with their masters, and the masters upon their thrones; and gave their wives for a prey, and their daughters to be captives, and all their spoils to be divided among your dear children; which were moved with zeal for you, and abhorred the pollution of their blood, and called upon you for aid. O God, O my God, hear me also who am a widow. For you did the things that were before those things, and those things, and such as come after; and you planned the things which are now, and the things which are to come. The things which you planned came to pass. Yes, the things which you determined stood before you, and said, ‘Behold, we are here; for all your ways are prepared, and your judgement is with foreknowledge. ’ For, behold, the Assyrians are multiplied in their power. They are exalted with horse and rider. They have gloried in the strength of their footmen. They have trusted in shield, spear, bow, and sling. They don’t know that you are the Lord who breaks the battles. ‘The Lord’ is your name. Break their strength in your power, and bring down their force in your wrath; for they intend to profane your sanctuary, and to defile the tabernacle where your glorious name rests, and to destroy the horn of your altar with the sword. Look at their pride, and send your wrath upon their heads. Give into my hand, which am a widow, the might that I have conceived. Strike by the deceit of my lips the servant with the prince, and the prince with his servant. Break down their stateliness by the hand of a woman. For your power stands not in multitude, nor your might in strong men: but you are a God of the afflicted. You are a helper of the oppressed, an upholder of the weak, a protector of the forlorn, a savior of those who are without hope. Yes, yes, God of my father, and God of the inheritance of Israel, Lord of the heavens and of the earth. Creator of the waters, King of every creature, hear my prayer. Make my speech and deceit to be their wound and stripe, who intend hard things against your covenant, your hallowed house, the top of Sion, and the house of the possession of your children. Make every nation and tribe of yours to know that you are God, the God of all power and might, and that there is none other that protects the race of Israel but you.”

Ochtendgebed — tweede lezing

Marcus 12

En Hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mens plantte een wijngaard, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en reisde buitenslands. En als het de tijd was, zond hij een dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden ontving van de vrucht des wijngaards. Maar zij namen en sloegen hem, en zonden hem ledig heen. En hij zond wederom een anderen dienstknecht tot hen, en dien stenigden zij, en wondden hem het hoofd, en zonden hem henen, schandelijk behandeld zijnde. En wederom zond hij een anderen, en dien doodden zij; en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen, en sommigen doodden. Als hij dan nog een zoon had, die hem lief was, zo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijn zoon ontzien. Maar die landlieden zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, en de erfenis zal onze zijn. En zij namen en doodden hem, en wierpen hem uit, buiten den wijngaard. Wat zal dan de heer des wijngaards doen? Hij zal komen, en de landlieden verderven, en den wijngaard aan anderen geven. Hebt gij ook deze Schrift niet gelezen: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; Van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen. En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg. En zij zonden tot Hem enigen der Farizeen en der Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden. Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven? En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie. En zij brachten een. En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld, en het opschrift? En zij zeiden tot Hem: Des keizers. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem. En de Sadduceen kwamen tot Hem, welke zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende: Meester! Mozes heeft ons geschreven: Indien iemands broeder sterft, en een vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder deszelfs vrouw nemen zal en zijn broeder zaad verwekken. Er waren nu zeven broeders, en de eerste nam een vrouw, en stervende liet geen zaad na. De tweede nam haar ook, en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na; en de derde desgelijks. En al de zeven namen dezelve, en lieten geen zaad na; de laatste van allen is ook de vrouw gestorven. In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij van dezen zijn? Want die zeven hebben haar tot een vrouw gehad. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom, dat gij de Schriften niet weet, noch de kracht Gods? Want als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk engelen, die in de hemelen zijn. Doch aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs? God is niet een God der doden, maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer. En een der Schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, en wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van allen? En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israel, de Heere, onze God, is een enig Heere. En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod. En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze. En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Meester, Gij hebt wel in der waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij; En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen en de slachtofferen. En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen. En Jezus antwoordde en zeide, lerende in den tempel: Hoe zeggen de Schriftgeleerden, dat de Christus een Zoon van David is? Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten. David dan zelf noemt Hem zijn Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare hoorde Hem gaarne. En Hij zeide tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de schriftgeleerden, die daar gaarne willen wandelen in lange klederen, en gegroet zijn op de markten; En de voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden; Welke de huizen der weduwen opeten, en dat onder den schijn van lang te bidden. Dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen. En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin. En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort. En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben. Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse leeftocht.

Avondgebed — eerste lezing

Judith 10

Van dit boek bestaat in uw taal geen uitgave in het publieke domein, en daarom wordt deze passage in het Engels weergegeven.

It came to pass, when she had ceased to cry to the God of Israel, and had finished saying all these words, that she rose up where she had fallen down, called her maid, and went down into the house, in the which she was used to live on the Sabbath days and on her feast days. She pulled off the sackcloth which she had put on, took off the garments of her widowhood, washed her body all over with water, anointed herself with rich ointment, braided the hair of her head, and put a tiara upon it. She put on her garments of gladness, which she used to wear in the days of the life of Manasses her husband. She took sandals for her feet, and put her chains around her, and her bracelets, her rings, her earrings, and all her jewelry, and decked herself bravely, to decieve the eyes of all men who would see her. She gave her maid a leather bottle of wine and a cruse of oil, and filled a bag with parched corn, lumps of figs, and fine bread. She packed all her vessels together, and laid them upon her. They went out to the gate of the city of Bethulia, and found Ozias and the elders of the city, Chabris and Charmis standing by it. But when they saw her, that her countenance was altered and her apparel was changed, they wondered at her beauty very exceedingly, and said to her, “May the God of our fathers give you favor, and accomplish your purposes to the glory of the children of Israel, and to the exaltation of Jerusalem.” Then she worshipped God, and said to them, “Command that they open the gate of the city for me, and I will go out to accomplish the things you spoke with me about.” And they commanded the young men to open to her, as she had spoken; and they did so. Then Judith went out, she, and her handmaid with her. Nhe men of the city watched her until she had gone down the mountain, until she had passed the valley, and they could see her no more. They went straight onward in the valley. The watch of the Assyrians met her; and they took her, and asked her, “Of what people are you? Where are you coming from? Where are you going?” She said, “I am a daughter of the Hebrews. I am fleeing away from their presence, because they are about to be given you to be consumed. I am coming into the presence of Holofernes the chief captain of your army, to declare words of truth. I will show him a way that he can go and win all the hill country, and there will not be lacking of his men one person, nor one life.” Now when the men heard her words, and considered her countenance, the beauty thereof was exceeding marvelous in their eyes. They said to her, “You have saved your life, in that you have hurried to come down to the presence of our master. Now come to his tent. Some of us will guide you until they deliver you into his hands. But when you stand before him, don’t be afraid in your heart, but declare to him according to your words; and he will treat you well.” They chose out of them a hundred men, and appointed them to accompany her and her maid; and they brought them to the tent of Holofernes. And there was great excitement throughout all the camp, for her coming was reported among the tents. They came and surrounded her as she stood outside Holofernes’ tent, until they told him about her. They marveled at her beauty, and marveled at the children of Israel because of her. Each one said to his neighbor, “Who would despise this people, that have among them such women? For it is not good that one man of them be left, seeing that, if they are let go, they will be able to deceive the whole earth. Those who lay near Holofernes, and all his servants, went out and brought her into the tent. And Holofernes was resting upon his bed under the canopy, which was woven with purple, gold, emeralds, and precious stones. And they told him about her; and he came out into the space before his tent, with silver lamps going before him. But when Judith had come before him and his servants, they all marveled at the beauty of her countenance. She fell down upon her face, and bowed down to him, but his servants raised her up.

Avondgebed — tweede lezing

2 Korintiërs 8

Voorts maken wij u bekend, broeders, de genade van God, die in de Gemeenten van Macedonie gegeven is. Dat in vele beproeving der verdrukking de overvloed hunner blijdschap, en hun zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot den rijkdom hunner goeddadigheid. Want zij zijn naar vermogen (ik betuig het), ja, boven vermogen gewillig geweest; Ons met vele vermaning biddende, dat wij wilden aannemen de gave en de gemeenschap dezer bediening, die voor de heiligen geschiedt. En zij deden niet alleen, gelijk wij gehoopt hadden, maar gaven zichzelven eerst aan den Heere en daarna aan ons, door den wil van God. Alzo dat wij Titus vermaanden, dat, gelijk hij te voren begonnen had, hij ook alzo nog deze gave bij u voleinden zou. Zo dan, gelijk gij in alles overvloedig zijt, in geloof, en in woord, en in kennis, en in alle naarstigheid, en in uw liefde tot ons, ziet, dat gij ook in deze gave overvloedig zijt. Ik zeg dit niet als gebiedende, maar als door de naarstigheid van anderen ook de oprechtheid uwer liefde beproevende. Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden. En ik zeg in dezen mijn mening; want dit is u oorbaar, als die niet alleen het doen, maar ook het willen van over een jaar te voren hebt begonnen. Maar nu voleindigt ook het doen; opdat, gelijk als er geweest is de volvaardigheid des gemoeds om te willen, er ook alzo zij het voleindigen uit hetgeen gij hebt. Want indien te voren de volvaardigheid des gemoeds daar is, zo is iemand aangenaam naar hetgeen hij heeft, niet naar hetgeen hij niet heeft. Want dit zeg ik niet, opdat anderen zouden verlichting hebben, en gij verdrukking; Maar opdat uit gelijkheid, in dezen tegenwoordigen tijd, uw overvloed zij om hun gebrek te vervullen; opdat ook hun overvloed zij om uw gebrek te vervullen, opdat er gelijkheid worde. Gelijk geschreven is: Die veel verzameld had, had niet over; en die weinig verzameld had, had niet te weinig. Doch Gode zij dank, Die dezelfde naarstigheid voor u in het hart van Titus gegeven heeft; Dat hij de vermaning heeft aangenomen, en zeer naarstig zijnde, gewillig tot u gereisd is. En wij hebben ook met hem gezonden den broeder, die lof heeft in het Evangelie door al de Gemeenten; En dat niet alleen, maar hij is ook van de Gemeenten verkoren, om met ons te reizen met deze gave, die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid des Heeren Zelven, en de volvaardigheid uws gemoeds; Dit verhoedende, dat ons niemand moge lasteren in dezen overvloed, die van ons wordt bediend; Als die bezorgen, hetgeen eerlijk is, niet alleen voor den Heere, maar ook voor de mensen. Wij hebben ook met hen gezonden onzen broeder, welken wij in vele dingen dikmaals beproefd hebben, dat hij naarstig is; en nu veel naarstiger, door het groot vertrouwen, dat hij heeft tot ulieden. Hetzij dan Titus, hij is mijn metgezel en medearbeider bij u; hetzij onze broeders, zij zijn afgezanten der Gemeenten, en een eer van Christus. Bewijst dan aan hen de bewijzing uwer liefde, en van onzen roem van u, ook voor het aangezicht der Gemeenten.

De lezingen volgen het Book of Common Prayer van 1662 (publiek domein). De tekst van de Schrift is publiek domein. (Statenvertaling)

Lezingen van de dag, elke ochtend

In Bosko staan de lezingen van de dag elke ochtend voor u klaar — vink elke lezing af als gelezen zodat u nooit uw plek verliest, lees ze in een van de 30 vertalingen en sta stil bij een korte overweging. De dagelijkse lezingen van uw traditie, bijgehouden en altijd binnen handbereik.