Bosko

Lezingen van de dag

De Bijbellezingen die voor de dag zijn vastgesteld, met de volledige tekst in uw eigen taal. Volg elke ochtend de dagelijkse lezingen van uw traditie in de Bosko-app.

Ochtendgebed — eerste lezing

Judith 15

Van dit boek bestaat in uw taal geen uitgave in het publieke domein, en daarom wordt deze passage in het Engels weergegeven.

When those who were in the tents heard, they were amazed at what happened. Trembling and fear fell upon them, and no man dared stay any more in the sight of his neighbor, but rushing out with one accord, they fled into every way of the plain and of the hill country. Those who had encamped in the hill country round about Bethulia fled away. And then the children of Israel, every one who was a warrior among them, rushed out upon them. Ozias sent to Betomasthaim, Bebai, Chobai, and Chola, and to every coast of Israel, to tell about the things that had been accomplished, and that all should rush upon their enemies to destroy them. But wnen the children of Israel heard, they all fell upon them with one accord, and struck them to Chobai. Yes, and in like manner also they of Jerusalem and of all the hill country came (for men had told them about what happened in their enemies’ camp), and those who were in Gilead and in Galilee fell upon their flank with a great slaughter, until they were past Damascus and its borders. The rest of the people who lived at Bethulia fell upon the camp of Asshur, and plundered them, and were enriched exceedingly. The children of Israel returned from the slaughter, and got possession of that which remained. The villages and the cities that were in the hill country and in the plain country, took many spoils; for there was an exceedingly great supply. Joakim the high priest, and the elders of the children of Israel whe lived in Jerusalem, came to see the good things which the Lord had showed to Israel, and to see Judith, and to salute her. When they came to her, they all blessed her with one accord, and said to her, “You are the exaltation of Jerusalem! You are the great glory of Israel! You are the great rejoicing of our race! You have done all these things by your hand. You have done with Israel the things that are good, and God is pleased with it. Blessed be you with the Almighty Lord for evermore.” And all the people said, “Amen!” And the people plundered the camp for the space of thirty days: and they gave Holofernes’ tent to Judith, along with all his silver cups, his beds, his bowls, and all his furniture. She took them, and placed them on her mule, and prepared her wagons, and heaped them on it. And all the women of Israel ran together to see her; and they blessed her, and made a dance among them for her. She took branches in her hand, and distributed them to the women who were with her. The they made themselves garlands of olive, she and those who were with her, and she went before all the people in the dance, leading all the women. All the men of Israel followed in their armor with garlands, and with songs in their mouths.

Ochtendgebed — tweede lezing

Marcus 15

En terstond, des morgens vroeg, hielden de overpriesters te zamen raad, met de ouderlingen en Schriftgeleerden, en den gehelen raad, en Jezus gebonden hebbende, brachten zij Hem heen, en gaven Hem aan Pilatus over. En Pilatus vraagde Hem: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij antwoordende, zeide tot hem: Gij zegt het. En de overpriesters beschuldigden Hem van vele zaken; maar Hij antwoordde niets. En Pilatus vraagde Hem wederom, zeggende: Antwoordt Gij niet? Zie, hoe vele zaken zij tegen U getuigen! En Jezus heeft niet meer geantwoord, zodat Pilatus zich verwonderde. En op het feest liet hij hun een gevangene los, wien zij ook begeerden. En er was een, genaamd Bar-abbas, gevangen met andere medeoproermakers, die in het oproer een doodslag gedaan had. En de schare riep uit, en begon te begeren, dat hij deed, gelijk hij hun altijd gedaan had. En Pilatus antwoordde hun, zeggende: Wilt gij, dat ik u den Koning der Joden loslate? (Want hij wist, dat de overpriesters Hem door nijd overgeleverd hadden.) Maar de overpriesters bewogen de schare, dat hij hun liever Bar-abbas zou loslaten. En Pilatus, antwoordende, zeide wederom tot hen: Wat wilt gij dan, dat ik met Hem doen zal, Dien gij een Koning der Joden noemt? En zij riepen wederom: Kruis Hem. Doch Pilatus zeide tot hen: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer: Kruis Hem! Pilatus nu, willende der schare genoeg doen, heeft hun Bar-abbas losgelaten, en gaf Jezus over, als hij Hem gegeseld had, om gekruist te worden. En de krijgsknechten leidden Hem binnen in de zaal, welke is het rechthuis, en riepen de ganse bende samen; En deden Hem een purperen mantel aan, en een doornenkroon gevlochten hebbende, zetten Hem die op; En begonnen Hem te groeten, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden! En sloegen Zijn hoofd met een rietstok, en bespogen Hem, en vallende op de knieen, aanbaden Hem. En als zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den purperen mantel af, en deden Hem Zijn eigen klederen aan, en leidden Hem uit, om Hem te kruisigen. En zij dwongen een Simon van Cyrene, die daar voorbijging, komende van den akker, den vader van Alexander en Rufus, dat hij Zijn kruis droeg. En zij brachten Hem tot de plaats Golgotha, hetwelk is, overgezet zijnde, Hoofdschedelplaats. En zij gaven Hem gemirreden wijn te drinken; maar Hij nam dien niet. En als zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, werpende het lot over dezelve, wat een iegelijk wegnemen zou. En het was de derde ure, en zij kruisigden Hem. En het opschrift Zijner beschuldiging was boven Hem geschreven: De KONING DER JODEN. En zij kruisigden met Hem twee moordenaars, een aan Zijn rechter zijde, en een aan Zijn linker zijde. En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend. En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden, en zeggende: Ha! Gij, die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, Behoud Uzelven, en kom af van het kruis. En insgelijks ook de overpriesters, met de schriftgeleerden, zeiden tot elkander, al spottende: Hij heeft anderen verlost; Zichzelven kan Hij niet verlossen. De Christus, de Koning Israels, kome nu af van het kruis, opdat wij het zien en geloven mogen. Ook die met Hem gekruist waren, smaadden Hem. En als de zesde ure gekomen was, werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe. En ter negender ure, riep Jezus met een grote stem, zeggende: ELOI, ELOI, LAMMA SABACHTANI, hetwelk is, overgezet zijnde: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? En sommigen van die daarbij stonden, dit horende, zeiden: Ziet, Hij roept Elias. En er liep een, en vulde een spons met edik, en stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken, zeggende: Houdt stil, laat ons zien, of Elias komt, om Hem af te nemen. En Jezus, een grote stem van Zich gegeven hebbende, gaf den geest. En het voorhangsel des tempels scheurde in tweeen, van boven tot beneden. En de hoofdman over honderd, die daarbij tegenover Hem stond, ziende, dat Hij alzo roepende den geest gegeven had, zeide: Waarlijk, deze Mens was Gods Zoon! En er waren ook vrouwen, van verre dit aanschouwende, onder welke ook was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, den kleine, en van Joses, en Salome; Welke ook, toen Hij in Galilea was, Hem waren gevolgd, en Hem gediend hadden; en vele andere vrouwen, die met Hem naar Jeruzalem opgekomen waren. En als het nu avond was geworden, dewijl het de voorbereiding was, welke is de voorsabbat; Kwam Jozef, die van Arimathea was, een eerlijk raadsheer, die ook zelf het Koninkrijk Gods was verwachtende, en zich verstoutende, ging hij in tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus. En Pilatus verwonderde zich, dat Hij alrede gestorven was; en den hoofdman over honderd tot zich geroepen hebbende, vraagde hem, of Hij lang gestorven was. En als hij het van den hoofdman over honderd verstaan had, schonk hij Jozef het lichaam. En hij kocht fijn lijnwaad, en Hem afgenomen hebbende, wond Hem in dat fijne lijnwaad, en legde Hem in een graf, hetwelk uit een steenrots gehouwen was; en hij wentelde een steen tegen de deur des grafs. En Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Joses, aanschouwden, waar Hij gelegd werd.

Avondgebed — eerste lezing

Judith 16

Van dit boek bestaat in uw taal geen uitgave in het publieke domein, en daarom wordt deze passage in het Engels weergegeven.

And Judith began to sing this song of thanksgiving in all Israel, and all the people sang with loud voices this song of praise. Judith said, “Begin a song to my God with timbrels. Sing to my Lord with cymbals. Make melody to him psalm and praise. Exalt him, and call upon his name. For the Lord is the God that crushes battles. For in his armies in the midst of the people, he delivered me out of the hand of those who persecuted me. Asshur came out of the mountains from the north. He came with ten thousands of his army. Its multitude stopped the torrents. Their horsemen covered the hills. He said that he would burn up my borders, kill my young men with the sword, throw my nursing children to the ground, give my infants up as prey, and make my virgins a plunder. “The Almighty Lord brought them to nothing by the hand of a woman. For their mighty one did not fall by young men, neither did sons of the Titans strike him. Tall giants didn’t attack him, but Judith the daughter of Merari made him weak with the beauty of her countenance. “For she put off the apparel of her widowhood for the exaltation of those who were distressed in Israel. She anointed her face with ointment, bound her hair in a tiara, and took a linen garment to deceive him. Her sandal ravished his eye. Her beauty took his soul prisoner. The scimitar passed through his neck. “The Persians quaked at her daring. The Medes were daunted at her boldness. “Then my lowly ones shouted aloud. My weak ones were terrified and trembled for fear. They lifted up their voice, and they fled. The sons of ladies pierced them through, and wounded them as fugatives’ children. They perished by the battle of my Lord. “I will sing to my God a new song: O Lord, you are great and glorious, marvelous in strength, invincible. Let all your creation serve you; for you spoke, and they were made. You sent out your spirit, and it built them. There is no one who can resist your voice. For the mountains will be moved from their foundations with the waters, and the rocks will melt as wax at your presence: But you are yet merciful to those who fear you. For all sacrifice is little for a sweet savor, And all the fat is very little for a whole burnt offering to you; But he who fears the Lord is great continually. “Woe to the nations who rise up against my race! The Lord Almighty will take vengeance on them in the day of judgement, to put fire and worms in their flesh; and they will weep and feel their pain forever.” Now when they came to Jerusalem, they worshipped God. When the people were purified, they offered their whole burnt offerings, their free will offerings, and their gifts. Judith dedicated all Holofernes’ stuff, which the people had given her, and gave the canopy, which she had taken for herself out of his bedchamber, for a gift to the Lord. And the people continued feasting in Jerusalem before the sanctuary for three months, and Judith remained with them. But after these days, everyone departed to his own inheritance. Judith went away to Bethulia, and remained in her own possession, and was honorable in her time in all the land. Many desired her, and no man knew her all the days of her life, from the day that Manasses her husband died and was gathered to his people. She increased in greatness exceedingly; and she grew old in her husband’s house, to one hundred five years, and let her maid go free. Then she died in Bethulia. They buried her in the cave of her husband Manasses. The house of Israel mourned for her seven days. She distributed her goods before she died to all those who were nearest of kin to Manasses her husband, and to those who were nearest of her own kindred. There was no one that made the children of Israel afraid any more in the days of Judith, nor a long time after her death.

Avondgebed — tweede lezing

2 Korintiërs 11

Och, of gij mij een weinig verdroegt in de onwijsheid; ja ook, verdraagt mij! Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus. Doch ik vrees, dat niet enigszins, gelijk de slang Eva door haar arglistigheid bedrogen heeft, alzo uw zinnen bedorven worden, om af te wijken van de eenvoudigheid, die in Christus is. Want indien degene, die komt, een anderen Jezus predikte, dien wij niet gepredikt hebben, of indien gij een anderen geest ontvingt, dien gij niet hebt ontvangen, of een ander Evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, zo verdroegt gij hem met recht. Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen. En indien ik ook slecht ben in woorden, nochtans ben ik het niet in wetenschap; maar alleszins zijn wij in alle dingen onder u openbaar geworden. Heb ik zonde gedaan, als ik mijzelven vernederd heb, opdat gij zoudt verhoogd worden, overmits ik u het Evangelie Gods om niet verkondigd heb? Ik heb andere Gemeenten beroofd, bezoldiging van haar nemende, om u te bedienen; en als ik bij u tegenwoordig was en gebrek had, ben ik niemand lastig gevallen. Want mijn gebrek hebben de broeders vervuld, die van Macedonie kwamen; en ik heb mijzelven in alles gehouden zonder u te bezwaren, en zal mij nog alzo houden. De waarheid van Christus is in mij, dat deze roem in de gewesten van Achaje aan mij niet zal verhinderd worden. Waarom? Is het, omdat ik u niet liefheb? God weet het! Maar wat ik doe, dat zal ik nog doen, om de oorzaak af te snijden dengenen, die oorzaak hebben willen, opdat zij in hetgeen zij roemen, bevonden mochten worden gelijk als wij. Want zulke valse apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus. En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel des lichts. Zo is het dan niets groots, indien ook zijn dienaars zich veranderen, als waren zij dienaars der gerechtigheid; van welke het einde zal zijn naar hun werken. Ik zeg wederom, dat niemand mene, dat ik onwijs ben; doch zo niet, neemt mij dan aan als een onwijze, opdat ik ook een weinig moge roemen. Dat ik spreek, spreek ik niet naar den Heere, maar als in onwijsheid, in deze vasten grond der roeming. Dewijl velen roemen naar het vlees, zo zal ik ook roemen. Want gij verdraagt gaarne de onwijzen, dewijl gij wijs zijt. Want gij verdraagt het, zo u iemand dienstbaar maakt, zo u iemand opeet, zo iemand van u neemt, zo zich iemand verheft, zo u iemand in het aangezicht slaat. Ik zeg dit naar oneer, gelijk of wij zwak waren geweest; maar waarin iemand stout is (ik spreek in onwijsheid), daarin ben ik ook stout. Zijn zij Hebreen? Ik ook. Zijn zij Israelieten? Ik ook. Zijn zij het zaad van Abraham? Ik ook. Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doods gevaar menigmaal. Van de Joden heb ik veertig slagen min een, vijfmaal ontvangen. Driemaal ben ik met roeden gegeseld geweest, eens ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een gansen nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht. In het reizen menigmaal in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op de zee, in gevaren onder de valse broeders; In arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid. Zonder de dingen, die van buiten zijn, overvalt mij dagelijks de zorg van al de Gemeenten. Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt er geergerd, dat ik niet brande? Indien men moet roemen, zo zal ik roemen de dingen mijner zwakheid. De God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die geprezen is in der eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg. De stadhouder van den koning Aretas in Damaskus, bezette de stad der Damaskenen, willende mij vangen; En ik werd door een venster in een mand over den muur nedergelaten, en ontvlood zijn handen.

De lezingen volgen het Book of Common Prayer van 1662 (publiek domein). De tekst van de Schrift is publiek domein. (Statenvertaling)

Lezingen van de dag, elke ochtend

In Bosko staan de lezingen van de dag elke ochtend voor u klaar — vink elke lezing af als gelezen zodat u nooit uw plek verliest, lees ze in een van de 30 vertalingen en sta stil bij een korte overweging. De dagelijkse lezingen van uw traditie, bijgehouden en altijd binnen handbereik.