Bosko

Lezingen van de dag

De Bijbellezingen die voor de dag zijn vastgesteld, met de volledige tekst in uw eigen taal. Volg elke ochtend de dagelijkse lezingen van uw traditie in de Bosko-app.

Ochtendgebed — eerste lezing

Wisdom 15

Van dit boek bestaat in uw taal geen uitgave in het publieke domein, en daarom wordt deze passage in het Engels weergegeven.

But you, our God, are gracious and true, Longsuffering, and in mercy ordering all things. For even if we sin, we are your, knowing your dominion; But we will not sin, knowing that we have been accounted your: For to be acquainted with you is perfect righteousness, And to know your dominion is the root of immortality. For we weren’t led astray by any evil plan of men’s, Nor yet by painters’ fruitless labor, A form stained with varied colors; The sight whereof leads fools into lust: Their desire is for the breathless form of a dead image. Lovers of evil things, and worthy of such hopes as these, Are both those who do, and those who desire, and those who worship. For a potter, kneading soft earth, Laboriously mouldeth each several vessel for our service: Nay, out of the same clay does he fashion Both the vessels that minister to clean uses, and those of a contrary sort, All in like manner; But what shall be the use of each vessel of either sort, The craftsman himself is the judge. And also, laboring to an evil end, he mouldeth a vain god out of the same clay, He who, having but a little before been made of earth, After a short space goes his way to the earth out of which he was taken, When he is required to render back the soul which was lent him. Howbeit he has anxious care, Not because his powers must fail, Nor because his span of life is short; But he matcheth himself against goldsmiths and silversmiths, And he imitateth moulders in brass, And esteemeth it glory that he mouldeth counterfeits. His heart is ashes, And his hope of less value than earth, And his life of less honor than clay: Because he was ignorant of him that moulded him, And of him that inspired into him an active soul, And breathed into him a vital spirit. But he accounted our very life to be a plaything, And our lifetime a gainful fair; For, says he, one must get gain whence one can, though it be by evil. For this man beyond all others knows that he sins, Out of earthy matter making brittle vessels and graven images. But most foolish were they all, and of feebler soul than a babe, The enemies of your people, who oppressed them; Because they even accounted all the idols of the nations to be gods; Which have neither the use of eyes for seeing, Nor nostrils for drawing breath, Nor ears to hear, Nor fingers for handling, And their feet are helpless for walking. For a man made them, And one whose own spirit is borrowed moulded them; For no one has power, being a man, to mould a god like to himself, But, being mortal, he makes a dead thing by the work of lawless hands; For he is better than the objects of his worship, Forasmuch as he indeed had life, but they never. Yes, and the creatures that are most hateful do they worship, For, being compared as to lack of sense, these are worse than all others; Neither, as seen beside other creatures, are they beautiful, so that one should desire them, But they have escaped both the praise of God and his blessing.

Ochtendgebed — tweede lezing

Lucas 7

Nadat Hij nu al Zijn woorden voleindigd had, ten aanhore des volks, ging Hij in te Kapernaum. En een dienstknecht van een zeker hoofdman over honderd, die hem zeer waard was, krank zijnde, lag op zijn sterven. En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot Hem de ouderlingen der Joden, Hem biddende, dat Hij wilde komen, en zijn dienstknecht gezond maken. Dezen nu, tot Jezus gekomen zijnde, baden Hem ernstelijk, zeggende: Hij is waardig, dat Gij hem dat doet; Want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de synagoge gebouwd. En Jezus ging met hen. En als Hij nu niet verre van het huis was, zond de hoofdman over honderd tot Hem enige vrienden, en zeide tot Hem: Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen. Daarom heb ik ook mijzelven niet waardig geacht, om tot U te komen; maar zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden. Want ik ben ook een mens, onder de macht van anderen gesteld, hebbende krijgsknechten onder mij, en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom en hij komt; en tot mijn dienstknecht: Doe dat! en hij doet het. En Jezus, dit horende, verwonderde Zich over hem; en Zich omkerende, zeide tot de schare, die Hem volgde: Ik zeg ulieden: Ik heb zo groot een geloof zelfs in Israel niet gevonden. En die gezonden waren, wedergekeerd zijnde in het huis, vonden den kranken dienstknecht gezond. En het geschiedde op den volgenden dag, dat Hij ging naar een stad, genaamd Nain, en met Hem gingen velen van Zijn discipelen, en een grote schare. En als Hij de poort der stad genaakte, zie daar, een dode werd uitgedragen, die een eniggeboren zoon zijner moeder was, en zij was weduwe en een grote schare van de stad was met haar. En de Heere, haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: Ween niet. En Hij ging toe, en raakte de baar aan; (de dragers nu stonden stil) en Hij zeide: Jongeling, Ik zeg u, sta op! En de dode zat overeind, en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijn moeder. En vreze beving hen allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot Profeet is onder ons opgestaan, en God heeft Zijn volk bezocht. En dit gerucht van Hem ging uit in geheel Judea, en in al het omliggende land. En de discipelen van Johannes boodschapten hem van al deze dingen. En Johannes, zekere twee van zijn discipelen tot zich geroepen hebbende, zond hen tot Jezus, zeggende: Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een anderen? En als de mannen tot Hem gekomen waren, zeiden zij: Johannes de Doper heeft ons tot U afgezonden, zeggende: Zijt Gij, Die komen zou, of verwachten wij een anderen? En in dezelfde ure genas Hij er velen van ziekten en kwalen, en boze geesten; en velen blinden gaf Hij het gezicht. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Gaat heen, en boodschapt Johannes weder de dingen, die gij gezien en gehoord hebt, namelijk dat de blinden ziende worden, de kreupelen wandelen, de melaatsen gereinigd worden, de doven horen, de doden opgewekt worden, den armen het Evangelie verkondigd wordt. En zalig is hij, die aan Mij niet zal geergerd worden. Als nu de boden van Johannes weggegaan waren, begon Hij tot de scharen van Johannes te zeggen: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet, dat van den wind ginds en weder bewogen wordt? Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een mens, met zachte klederen bekleed? Ziet, die in heerlijke kleding en wellust zijn, die zijn in de koninklijke hoven. Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet. Deze is het, van welken geschreven is: Ziet, Ik zende Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal. Want Ik zeg ulieden: Onder die van vrouwen geboren zijn, is niemand meerder profeet, dan Johannes de Doper; maar de minste in het Koninkrijk Gods is meerder dan hij. En al het volk, Hem horende, en de tollenaars, die met den doop van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden God. Maar de Farizeen en de wetgeleerden hebben den raad Gods tegen zichzelven verworpen, van hem niet gedoopt zijnde. En de Heere zeide: Bij wien zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken, en wien zijn zij gelijk? Zij zijn gelijk aan de kinderen, die op de markt zitten, en elkander toeroepen, en zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld, en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweend. Want Johannes de Doper is gekomen, noch brood etende, noch wijn drinkende; en gij zegt: Hij heeft den duivel. De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, en gij zegt: Ziet daar, een Mens, Die een vraat en wijnzuiper is, een Vriend van tollenaren en zondaren. Doch de wijsheid is gerechtvaardigd geworden van al haar kinderen. En een der Farizeen bad Hem, dat Hij met hem ate; en ingegaan zijnde in des Farizeers huis, zat Hij aan. En ziet, een vrouw in de stad, welke een zondares was, verstaande, dat Hij in des Farizeers huis aanzat, bracht een albasten fles met zalf. En staande achter aan Zijn voeten, wenende, begon zij Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten, en zalfde ze met de zalf. En de Farizeer, die Hem genood had, zulks ziende, sprak bij zichzelven, zeggende: Deze, indien Hij een profeet ware, zou wel weten, wat en hoedanige vrouw deze is, die Hem aanraakt; want zij is een zondares. En Jezus antwoordende, zeide tot hem: Simon! Ik heb u wat te zeggen. En hij sprak: Meester! zeg het. Jezus zeide: Een zeker schuldheer had twee schuldenaars; de een was schuldig vijfhonderd penningen, en de andere vijftig; En als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan, wie van deze zal hem meer liefhebben? En Simon, antwoordende, zeide: Ik acht, dat hij het is, dien hij het meeste kwijtgescholden heeft. En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geoordeeld. En Hij, Zich omkerende naar de vrouw, zeide tot Simon: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; water hebt gij niet tot Mijn voeten gegeven; maar deze heeft Mijn voeten met tranen nat gemaakt, en met het haar van haar hoofd afgedroogd. Gij hebt Mij geen kus gegeven; maar deze, van dat zij ingekomen is, heeft niet afgelaten Mijn voeten te kussen. Met olie hebt gij Mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft Mijn voeten met zalf gezalfd. Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad; maar dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief. En Hij zeide tot haar: Uw zonden zijn u vergeven. En die mede aanzaten, begonnen te zeggen bij zichzelven: Wie is Deze, Die ook de zonden vergeeft? Maar Hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.

Avondgebed — eerste lezing

Wisdom 16

Van dit boek bestaat in uw taal geen uitgave in het publieke domein, en daarom wordt deze passage in het Engels weergegeven.

For this cause were these men worthily punished through creatures like those which they worship, And tormented through a multitude of vermin. Instead of which punishment, you, bestowing benefits on your people, Preparedst quails for food, Food of rare taste, to satisfy the desire of their appetite; To the end that your enemies, desiring food, Might for the hideousness of the creatures sent among them Loathe even the necessary appetite; But these, your people, having for a short space suffered lack, Might even partake of food of rare taste. For it was needful that upon those should come inexorable lack in their tyrannous dealing, But that to these it should only be showed how their enemies were tormented. For even when terrible raging of wild beasts came upon your people, And they were perishing by the bites of crooked serpents, Your wrath continued not to the uttermost; But for admonition were they troubled for a short space, Having a token of salvation, To put them in remembrance of the commandment of your law: For he that turned toward it was not saved because of that which was seen, But because of you, the Saviour of all. Yes, and in this did you persuade our enemies, That you are he that delivers out of every evil. For them verily the bites of locusts and flies did kill, And there was not found a healing for their life, Because they were worthy to be punished by such as these; But your sons not the very teeth of venomous dragons overcame, For your mercy passed by where they were, and healed them. For they were bitten, to put them in remembrance of your oracles; And were quickly saved, lest, falling into deep forgetfulness, They should become unable to be roused by your beneficence: For of a truth it was neither herb nor mollifying plaister that cured them, But your word, O Lord, which heals all things; For you have authority over life and death, And you lead down to the gates of Hades, and lead up again. But though a man may kill by his wickedness, Yet the spirit that is gone forth he turns not again, Neither gives release to the soul that Hades has received. But your hand it is not possible to escape; For ungodly men, refusing to know you, were scourged in the strength of your arm, Pursued with strange rains and hails and showers inexorable, And utterly consumed with fire; For, what was most marvelous of all, In the water which quenches all things the fire wrought yet more mightily; For the world fights for the righteous. For at one time the flame lost its fierceness, That it might not burn up the creatures sent against the ungodly, But that these themselves as they looked might see that they were chased through the judgement of God: And at another time even in the midst of water it burns above the power of fire, That it may destroy the fruits of an unrighteous land. Instead whereof you gave your people angels’ food to eat, And bread ready for their use did you provide for them from heaven without their toil, Bread having the virtue of every pleasant savor, And agreeing to every taste; For your nature manifested your sweetness toward your children; While that bread, ministering to the desire of the eater, Tempered itself according to every man’s choice. But snow and ice endured fire, and melted not, That men might know that fire was destroying the fruits of the enemies, Burning in the hail and flashing in the rains; And that this element again, in order that righteous men may be nourished, Hath even forgotten its own power. For the creation, ministering to you its maker, Straineth its force against the unrighteous, for punishment, And slackeneth it in behalf of those who trust in you, for beneficence. Therefore at that time also, converting itself into all forms, It ministered to your all-nourishing bounty, According to the desire of those who made supplication; That your sons, whom you loved, O Lord, might learn That it is not the growth of the earth’s fruits that nourishes a man, But that your word preserves those who trust you. For that which was not marred by fire, When it was simply warmed by a faint sunbeam melted away; That it might be known that we must rise before the sun to give you thanks, And must plead with you at the dawning of the light: For the hope of the unthankful will melt as the winter’s hoar frost, And will flow away as water that has no use.

Avondgebed — tweede lezing

Efeziërs 1

Paulus, een apostel van Jezus Christus, door den wil van God, aan de heiligen, die te Efeze zijn, en gelovigen in Christus Jezus: Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus. Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus. Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil. Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde; In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade, Met welke Hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid; Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelven. Om in de bedeling van de volheid der tijden, wederom alles tot een te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is, en dat op de aarde is; In Hem, in Welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil; Opdat wij zouden zijn tot prijs Zijner heerlijkheid, wij, die eerst in Christus gehoopt hebben. In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte; Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid. Daarom ook ik, gehoord hebbende het geloof in den Heere Jezus, dat onder u is, en de liefde tot al de heiligen, Houde niet op voor u te danken, gedenkende uwer in mijn gebeden; Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis; Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen; En welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht, Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechter hand in den hemel; Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende; En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.

De lezingen volgen het Book of Common Prayer van 1662 (publiek domein). De tekst van de Schrift is publiek domein. (Statenvertaling)

Lezingen van de dag, elke ochtend

In Bosko staan de lezingen van de dag elke ochtend voor u klaar — vink elke lezing af als gelezen zodat u nooit uw plek verliest, lees ze in een van de 30 vertalingen en sta stil bij een korte overweging. De dagelijkse lezingen van uw traditie, bijgehouden en altijd binnen handbereik.