Bosko

Lezingen van de dag

De Bijbellezingen die voor de dag zijn vastgesteld, met de volledige tekst in uw eigen taal. Volg elke ochtend de dagelijkse lezingen van uw traditie in de Bosko-app.

Ochtendgebed — eerste lezing

Baruch 2

Van dit boek bestaat in uw taal geen uitgave in het publieke domein, en daarom wordt deze passage in het Engels weergegeven.

Therefore the Lord has made good his word, which he pronounced against us, and against our judges that judged Israel, and against our kings, and against our princes, and against the men of Israel and Judah, to bring upon us great plagues, such as never happened under the whole heaven, as it came to pass in Jerusalem, according to the things that are written in the law of Moses; That we should eat every man the flesh of his own son, and every man the flesh of his own daughter. Moreover he has given them to be in subjection to all the kingdoms that are round about us, to be a reproach and a desolation among all the people round about, where the Lord has scattered them. Thus were they cast down, and not exalted, because we sinned against the Lord our God, in not hearkening to his voice. To the Lord our God belongs righteousness: but to us and to our fathers confusion of face, as at this day. For all these plagues are come upon us, which the Lord has pronounced against us. Yet have we not entreated the favor of the Lord, in turning every one from the thoughts of his wicked heart. Therefore has the Lord kept watch over the plagues, and the Lord has brought them upon us; for the Lord is righteous in all his works which he has commanded us. Yet we have not hearkened to his voice, to walk in the commandments of the Lord that he has set before us. And now, O Lord, you God of Israel, that have brought your people out of the land of Egypt with a mighty hand, and with signs, and with wonders, and with great power, and with a high arm, and have gotten yourself a name, as at this day: O Lord our God, we have sinned, we have done ungodly, we have dealt unrighteously in all your ordinances. Let your wrath turn from us: for we are but a few left among the heathen, where you have scattered us. Hear our prayer, O Lord, and our petition, and deliver us for your own sake, and give us favor in the sight of them which have led us away captive: that all the earth may know that you are the Lord our God, because Israel and his posterity is called by your name. O Lord, look down from your holy house, and consider us: incline your ear, O Lord, and hear: open your eyes, and behold: for the dead that are in the grave, whose breath is taken from their bodies, will give to the Lord neither glory nor righteousness: but the soul that is greatly vexed, which goes stooping and feeble, and the eyes that fail, and the hungry soul, will give you glory and righteousness, O Lord. For we do not present our supplication before you, O Lord our God, for the righteousness of our fathers, and of our kings. For you have sent your wrath and your indignation upon us, as you have spoken by your servants the prophets, saying, Thus says the Lord, Bow your shoulders to serve the king of Babylon, and remain in the land that I gave to your fathers. But if you⌃ will not hear the voice of the Lord, to serve the king of Babylon, I will cause to cease out of the cities of Judah, and from without Jerusalem, the voice of mirth, and the voice of gladness, the voice of the bridegroom, and the voice of the bride: and the whole land shall be desolate without inhabitant. But we would not hearken to your voice, to serve the king of Babylon: therefore have you made good your words that you spoke by your servants the prophets, namely, that the bones of our kings, and the bones of our fathers, should be taken out of their places. And, behold, they are cast out to the heat by day, and to the frost by night, and they died in great miseries by famine, by sword, and by pestilence. And the house which is called by your name have you laid waste, as at this day, for the wickedness of the house of Israel and the house of Judah. Yet, O Lord our God, you have dealt with us after all your kindness, and according to all that great mercy of your, as you spoke by your servant Moses in the day when you did command him to write your law before the children of Israel, saying, If you⌃ will not hear my voice, surely this very great multitude shall be turned into a small number among the nations, where I will scatter them. For I know that they will not hear me, because it is a stiff-necked people: but in the land of their captivity they shall take it to heart, and shall know that I am the Lord their God: and I will give them a heart, and ears to hear: and they shall praise me in the land of their captivity, and think upon my name, and shall return from their stiff neck, and from their wicked deeds: for they shall remember the way of their fathers, which sinned before the Lord. And I will bring them again into the land which I sware to their fathers, to Abraham, to Isaac, and to Jacob, and they shall be lords of it: and I will increase them, and they shall not be diminished. And I will make an everlasting covenant with them to be their God, and they shall be my people: and I will no more remove my people of Israel out of the land that I have given them.

Ochtendgebed — tweede lezing

Johannes 12

Jezus dan kwam zes dagen voor het pascha te Bethanie, daar Lazarus was, die gestorven was geweest, welken Hij opgewekt had uit de doden. Zij bereidden Hem dan aldaar een avondmaal, en Martha diende; en Lazarus was een van degenen, die met Hem aanzaten. Maria dan, genomen hebbende een pond zalf van onvervalsten, zeer kostelijken nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met haar haren Zijn voeten afgedroogd; en het huis werd vervuld van den reuk der zalf. Zo zeide dan een van Zijn discipelen, namelijk Judas, Simons zoon, Iskariot, die Hem verraden zou: Waarom is deze zalf niet verkocht voor driehonderd penningen, en den armen gegeven? En dit zeide hij, niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was, en de beurs had, en droeg hetgeen gegeven werd. Jezus dan zeide: Laat af van haar; zij heeft dit bewaard tegen den dag Mijner begrafenis. Want de armen hebt gijlieden altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd. Een grote schare dan der Joden verstond, dat Hij aldaar was; en zij kwamen, niet alleen om Jezus' wil, maar opdat zij ook Lazarus zouden zien, dien Hij uit de doden opgewekt had. En de overpriesters beraadslaagden, dat zij ook Lazarus doden zouden. Want velen van de Joden gingen heen om zijnentwil, en geloofden in Jezus. Des anderen daags, een grote schare, die tot het feest gekomen was, horende, dat Jezus naar Jeruzalem kwam, Namen de takken van palmbomen, en gingen uit Hem tegemoet, en riepen: Hosanna! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren, Hij, Die is de Koning Israels! En Jezus vond een jongen ezel, en zat daarop, gelijk geschreven is: Vrees niet, gij dochter Sions, zie, uw Koning komt, zittende op het veulen ener ezelin. Doch dit verstonden Zijn discipelen in het eerst niet; maar als Jezus verheerlijkt was, toen werden zij indachtig, dat dit van Hem geschreven was, en dat zij Hem dit gedaan hadden. De schare dan, die met Hem was, getuigde dat Hij Lazarus uit het graf geroepen, en hem uit de doden opgewekt had. Daarom ging ook de schare Hem tegemoet, overmits zij gehoord had, dat Hij dat teken gedaan had. De Farizeen dan zeiden onder elkander: Ziet gij wel, dat gij gans niet vordert? Ziet, de gehele wereld gaat Hem na. En er waren sommige Grieken uit degenen, die opgekomen waren, opdat zij op het feest zouden aanbidden; Dezen dan gingen tot Filippus, die van Bethsaida in Galilea was, en baden hem, zeggende: Heer, wij wilden Jezus wel zien. Filippus kwam en zeide het Andreas; en Andreas en Filippus wederom zeiden het Jezus. Maar Jezus antwoordde hun, zeggende: De ure is gekomen, dat de Zoon des mensen zal verheerlijkt worden. Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort. Die zijn leven liefheeft, zal hetzelve verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tot het eeuwige leven. Zo iemand Mij dient, die volge Mij; en waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn. En zo iemand Mij dient, de Vader zal hem eren. Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen. Vader, verheerlijk Uw Naam. Er kwam dan een stem uit den hemel, zeggende: En Ik heb Hem verheerlijkt, en Ik zal Hem wederom verheerlijken. De schare dan, die daar stond, en dit hoorde, zeide, dat er een donderslag geschied was. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken. Jezus antwoordde en zeide: Niet om Mijnentwil is deze stem geschied, maar om uwentwil. Nu is het oordeel dezer wereld; nu zal de overste dezer wereld buiten geworpen worden. En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken. (En dit zeide Hij, betekenende, hoedanigen dood Hij sterven zou.) De schare antwoordde Hem: Wij hebben uit de wet gehoord, dat de Christus blijft in der eeuwigheid; en hoe zegt Gij, dat de Zoon des mensen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des mensen? Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd is het Licht bij ulieden; wandelt, terwijl gij het Licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange. En die in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat. Terwijl gij het Licht hebt, gelooft in het Licht, opdat gij kinderen des Lichts moogt zijn. Deze dingen sprak Jezus; en weggaande verborg Hij Zich van hen. En hoewel Hij zovele tekenen voor hen gedaan had, nochtans geloofden zij in Hem niet; Opdat het woord van Jesaja, den profeet, vervuld werd, dat hij gesproken heeft: Heere, wie heeft onze prediking geloofd, en wien is de arm des Heeren geopenbaard? Daarom konden zij niet geloven, dewijl Jesaja wederom gezegd heeft: Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze. Dit zeide Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak. Nochtans geloofden ook zelfs velen uit de oversten in Hem; maar om der Farizeen wil beleden zij het niet; opdat zij uit de synagoge niet zouden geworpen worden. Want zij hadden de eer der mensen lief, meer dan de eer van God. En Jezus riep, en zeide: Die in Mij gelooft, gelooft in Mij niet, maar in Dengene, Die Mij gezonden heeft. En die Mij ziet, die ziet Dengene, Die Mij gezonden heeft. Ik ben een Licht, in de wereld gekomen, opdat een iegelijk, die in Mij gelooft, in de duisternis niet blijve. En indien iemand Mijn woorden gehoord, en niet geloofd zal hebben, Ik oordeel hem niet; want Ik ben niet gekomen, opdat Ik de wereld oordele, maar opdat Ik de wereld zalig make. Die Mij verwerpt, en Mijn woorden niet ontvangt, heeft, die hem oordeelt; het woord, dat Ik gesproken heb, dat zal hem oordelen ten laatsten dage. Want Ik heb uit Mijzelven niet gesproken; maar de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen zal, en wat Ik spreken zal. En Ik weet, dat Zijn gebod het eeuwige leven is. Hetgeen Ik dan spreek, dat spreek Ik alzo, gelijk Mij de Vader gezegd heeft.

Avondgebed — eerste lezing

Baruch 3

Van dit boek bestaat in uw taal geen uitgave in het publieke domein, en daarom wordt deze passage in het Engels weergegeven.

O Lord Almighty, you God of Israel, the soul in anguish, the troubled spirit, cries to you. Hear, O Lord, and have mercy; for you are a merciful God: yes, have mercy upon us, because we have sinned before you. For you sit as king forever, and we perish evermore. O Lord Almighty, you God of Israel, hear now the prayer of the dead Israelites, and of the children of them which were sinners before you, that didn’t listen to the voice of you their God: for the which cause these plagues clave to us. Remember not the iniquities of our fathers: but remember your power and your name now at this time. For you are the Lord our God, and you, O Lord, will we praise. For for this cause you have put your fear in our hearts, to the intent that we should call upon your name: and we will praise you in our captivity, for we have called to mind all the iniquity of our fathers, that sinned before you. Behold, we are yet this day in our captivity, where you have scattered us, for a reproach and a curse, and to be subject to penalty, according to all the iniquities of our fathers, which departed from the Lord our God. Hear, O Israel, the commandments of life: give ear to understand wisdom. How is it, O Israel, that you are in your enemies’ land, that you have become old in a strange country, that you are defiled with the dead, that you are counted with those who go down into the grave? You have forsaken the fountain of wisdom. For if you had walked in the way of God, you should have dwelled in peace forever. Learn where is wisdom, where is strength, where is understanding; that you may know also where is length of days, and life, where is the light of the eyes, and peace. Who has found out her place? and who has come into her treasuries? Where are the princes of the heathen, and such as ruled the beasts that are upon the earth; those who had their pastime with the fowls of the air, and those who hoarded up silver and gold, wherein men trust; and of whose getting there is no end? For those who wrought in silver, and were so careful, and whose works are past finding out, they are vanished and gone down to the grave, and others are come up in their steads. Younger men have seen the light, and lived upon the earth: but the way of knowledge have they not known, neither understood they the paths thereof: neither have their children laid hold of it: they are far off from their way. It has not been heard of in Canaan, neither has it been seen in Teman. The sons also of Agar that seek understanding, which are in the land, the merchants of Merran and Teman, and the authors of fables, and the searchers out of understanding; none of these have known the way of wisdom, or remembered her paths. O Israel, how great is the house of God! and how large is the place of his possession! great, and has none end; high, and unmeasurable. There were the giants born that were famous of old, great of stature, and expert in war. God didn’t choose these, nor did he give the way of knowledge to them; so they perished, because they had no wisdom, they perished through their own foolishness. Who has gone up into heaven, and taken her, and brought her down from the clouds? Who has gone over the sea, and found her, and will bring her for choice gold? There is none that knows her way, nor any that comprehendeth her path. But he that knows all things knows her, he found her out with his understanding: he that prepared the earth for evermore has filled it with four-footed beasts: he that sends forth the light, and it goes; he called it, and it obeyed him with fear: and the stars shined in their watches, and were glad: when he called them, they said, Here we be; they shined with gladness to him that made them. This is our God, and there shall none other be accounted of in comparison of him. He has found out all the way of knowledge, and has given it to Jacob his servant, and to Israel that is beloved of him. Afterward did she appear upon earth, and was conversant with men.

Avondgebed — tweede lezing

2 Timoteüs 3

En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. Want de mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelven, geldgierig, laatdunkend, hovaardig, lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig. Zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden, Verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods; Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van dezen. Want van dezen zijn het, die in de huizen insluipen, en nemen de vrouwkens gevangen, die met zonden geladen zijn, en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden; Vrouwkens, die altijd leren, en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen. Gelijkerwijs nu Jannes en Jambres Mozes tegenstonden, alzo staan ook deze de waarheid tegen; mensen, verdorven zijnde van verstand, verwerpelijk aangaande het geloof. Maar zij zullen niet meerder toenemen; want hun uitzinnigheid zal allen openbaar worden, gelijk ook die van genen geworden is. Maar gij hebt achtervolgd mijn leer, wijze van doen, voornemen, geloof, lankmoedigheid, liefde, lijdzaamheid. Mijn vervolgingen, mijn lijden, zulks als mij overkomen is in Antiochie, in Ikonium en in Lystre; hoedanige vervolgingen ik geleden heb, en de Heere heeft mij uit alle verlost. En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden. Doch de boze mensen en bedriegers zullen tot erger voortgaan, verleidende en wordende verleid. Maar blijft gij in hetgeen gij geleerd hebt, en waarvan u verzekering gedaan is, wetende, van wien gij het geleerd hebt; En dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is. Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.

De lezingen volgen het Book of Common Prayer van 1662 (publiek domein). De tekst van de Schrift is publiek domein. (Statenvertaling)

Lezingen van de dag, elke ochtend

In Bosko staan de lezingen van de dag elke ochtend voor u klaar — vink elke lezing af als gelezen zodat u nooit uw plek verliest, lees ze in een van de 30 vertalingen en sta stil bij een korte overweging. De dagelijkse lezingen van uw traditie, bijgehouden en altijd binnen handbereik.