Lezingen van de dag
De Bijbellezingen die voor de dag zijn vastgesteld, met de volledige tekst in uw eigen taal. Volg elke ochtend de dagelijkse lezingen van uw traditie in de Bosko-app.
Ochtendgebed — eerste lezing
Van dit boek bestaat in uw taal geen uitgave in het publieke domein, en daarom wordt deze passage in het Engels weergegeven.
There is a reproof that is not comely; And there is a man that keeps silence, and he is wise. How good is it to reprove, rather than to be angry; And he that makes confession will be kept back from hurt. As is the lust of an eunuch to deflower a virgin; So is he that executes judgements with violence. There is one that keeps silence, and is found wise; And there is one that is hated for his much talk. There is one that keeps silence, for he has no answer to make; And there is that keeps silence, as knowing his time. A wise man will be silent till his time come; But the braggart and fool will overpass his time. He that uses many words will be abhorred; And he that takes to himself authority therein will be hated. There is a prosperity that a man finds in misfortunes; And there is a gain that turns to loss. There is a gift that will not profit you; And there is a gift whose recompense is double. There is an abasement because of glory; And there is that has lifted up his head from a low estate. There is that buys much for a little, And pays for it again sevenfold. He that is wise in words will make himself beloved; But the pleasantries of fools will be wasted. The gift of a fool will not profit you; For his eyes are many instead of one. He will give little, and upbraid much; And he will open his mouth like a crier: Today he will lend, and tomorrow he will ask it again: Such an one is a hateful man. The fool will say, I have no friend, And I have no thanks for my good deeds; They that eat my bread are of evil tongue. How often, and of how many, will he be laughed to scorn! A slip on a pavement is better than a slip with the tongue; So the fall of the wicked will come speedily. A man without grace is as a tale out of season: It will be continually in the mouth of the ignorant. A wise sentence from a fool’s mouth will be rejected; For he will not speak it in its season. There is that is hindered from sinning through lack; And when he takes rest, he will not be troubled. There is that destroys his soul through bashfulness; And by a foolish countenance he will destroy it. There is that for bashfulness promises to his friend; And he makes him his enemy for nothing. A lie is a foul blot in a man: It will be continually in the mouth of the ignorant. A thief is better than a man that is continually lying: But they both will inherit destruction. The disposition of a liar is dishonor; And his shame is with him continually. He that is wise in words will advance himself; And one that is prudent will please great men. He that tils his land will raise his heap high; And he that pleases great men will get pardon for iniquity. Presents and gifts blind the eyes of the wise, And as a muzzle on the mouth, turn away reproofs. Wisdom that is hid, and treasure that is out of sight, What profit is in them both? Better is a man that hides his folly Than a man that hides his wisdom.
Ochtendgebed — tweede lezing
En het geschiedde in een van die dagen, als Hij in den tempel het volk leerde, en het Evangelie verkondigde, dat de overpriesters, en Schriftgeleerden, met de ouderlingen daarover kwamen, En spraken tot Hem zeggende: Zeg ons, door wat macht Gij deze dingen doet; of wie Hij is, Die U deze macht heeft gegeven? En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, en zegt Mij: De doop van Johannes, was die uit den Hemel, of uit de mensen? En zij overleiden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den Hemel; zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij dan hem niet geloofd? En indien wij zeggen: Uit de mensen; zo zal ons al het volk stenigen; want zij houden voor zeker, dat Johannes een profeet was. En zij antwoordden, dat zij niet wisten, vanwaar die was. En Jezus zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe. En Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mens plantte een wijngaard, en hij verhuurde dien aan landlieden, en trok een langen tijd buitenslands. En als het de tijd was, zond hij tot de landlieden een dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht des wijngaards geven zouden; maar de landlieden sloegen denzelven, en zonden hem ledig heen. En wederom zond hij nog een anderen dienstknecht; maar ook dien geslagen en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij hem ledig heen. En wederom zond hij nog een derden; maar zij verwondden ook dezen, en wierpen hem uit. En de heer des wijngaards zeide: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefden zoon zenden; mogelijk dezen ziende, zullen zij hem ontzien. Maar als de landlieden hem zagen, overleiden zij onder elkander, en zeiden: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, opdat de erfenis onze worde. En als zij hem buiten den wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer des wijngaards hun doen? Hij zal komen en deze landlieden verderven, en zal den wijngaard aan anderen geven. En als zij dat hoorden, zeiden zij: Dat zij verre! Maar Hij zag hen aan, en zeide: Wat is dan dit, hetwelk geschreven staat: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot een hoofd des hoeks geworden? Een iegelijk, die op dien steen valt, zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen. En de overpriesteren en de Schriftgeleerden zochten te dierzelver ure de handen aan Hem te slaan; maar zij vreesden het volk; want zij verstonden, dat Hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had. En zij namen Hem waar, en zonden verspieders uit, die zichzelven veinsden rechtvaardig te zijn; opdat zij Hem in Zijn rede vangen mochten, om Hem aan de heerschappij en de macht des stadhouders over te leveren. En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wij weten, dat Gij recht spreekt en leert, en den persoon niet aanneemt, maar den weg Gods leert in der waarheid. Is het ons geoorloofd den keizer schatting te geven, of niet? En Hij, hun arglistigheid bemerkende, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Toont Mij een penning; wiens beeld en opschrift heeft hij? En zij, antwoordende, zeiden: Des keizers. En Hij zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij konden Hem in Zijn woord niet vatten voor het volk; en zich verwonderende over Zijn antwoord, zwegen zij stil. En tot Hem kwamen sommigen der Sadduceen, welke tegensprekende zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem. Zeggende: Meester! Mozes heeft ons geschreven: Zo iemands broeder sterft, die een vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broeder de vrouw nemen zal, en zijn broeder zaad verwekken. Er waren nu zeven broeders; en de eerste nam een vrouw, en hij stierf zonder kinderen. En de tweede nam die vrouw, en ook deze stierf zonder kinderen. En de derde nam dezelve vrouw; en desgelijks ook de zeven, en hebben geen kinderen nagelaten, en zijn gestorven. En ten laatste na allen stierf ook de vrouw. In de opstanding dan, wiens vrouw van dezen zal zij zijn? Want die zeven hebben dezelve tot een vrouw gehad. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: De kinderen dezer eeuw trouwen, en worden ten huwelijk uitgegeven; Maar die waardig zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden; Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn den engelen gelijk; en zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn. En dat de doden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbos, als hij den Heere noemt den God Abrahams, en den God Izaks, en den God Jakobs. God nu is niet een God der doden, maar der levenden; want zij leven Hem allen. En sommigen der Schriftgeleerden, antwoordende, zeiden: Meester! Gij hebt wel gezegd. En zij durfden Hem niet meer iets vragen. En Hij zeide tot hen: Hoe zeggen zij, dat de Christus Davids Zoon is? En David zelf zegt in het boek der psalmen: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten. David dan noemt Hem zijn Heere; en hoe is Hij zijn Zoon? En daar al het volk het hoorde, zeide Hij tot Zijn discipelen: Wacht u van de Schriftgeleerden, die daar willen wandelen in lange klederen, en beminnen de groetingen op de markten, en de voorgestoelten in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden; Die der weduwen huizen opeten, en onder een schijn lange gebeden doen; dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.
Avondgebed — eerste lezing
Van dit boek bestaat in uw taal geen uitgave in het publieke domein, en daarom wordt deze passage in het Engels weergegeven.
My son, have you sinned? add no more thereto; And make supplication for your former sins. Flee from sin as from the face of a serpent; For if you draw near it will bite you: The teeth thereof are the teeth of a lion, Slaying the souls of men. All iniquity is as a two-edged sword; Its stroke has no healing. Terror and violence will lay waste riches; So the house of a haughty man will be laid waste. Supplication from a poor man’s mouth reaches to the ears of God, And his judgement comes speedily. One that hates reproof is in the path of the sinner; And he that fears the Lord will turn again in his heart. He that is mighty in tongue is known afar off: But the man of understanding knows when he slips. He that builds his house with other men’s money Is like one that gathers himself stones against winter. The congregation of wicked men is as tow wrapped together; And the end of them is a flame of fire. The way of sinners is made smooth with stones; And at the last end thereof is the pit of Hades. He that keeps the law becomes master of the intent thereof; And the end of the fear of the Lord is wisdom. He that is not clever will not be instructed; And there is a cleverness which makes bitterness to abound. The knowledge of a wise man will be made to abound as a flood; And his counsel as a fountain of life. The inward parts of a fool are like a broken vessel; And he will hold no knowledge. If a man of knowledge hear a wise word, He will commend it, and add to it: The dissolute man hears it, and it displeases him, And he puts it away behind his back. The discourse of a fool is like a burden in the way; But grace will be found on the lips of the wise. The mouth of the prudent man will be sought for in the congregation; And they will ponder his words in their heart. As a house that is destroyed, so is wisdom to a fool; And the knowledge of an unwise man is as talk without sense. Instruction is as fetters on the feet of an unwise man, And as manacles on the right hand. A fool lifts up his voice with laughter; But a clever man will scarce smile quietly. Instruction is to a prudent man as an ornament of gold, And as a bracelet upon his right arm. The foot of a fool is soon in another man’s house; But a man of experience will be ashamed of entering. A foolish man peepeth in from the door of another man’s house; But a man that is instructed will stand without. It is a lack of instruction in a man to listen at the door; But the prudent man will be grieved with the disgrace. The lips of strangers will be grieved at these things; But the words of prudent men will be weighed in the balance. The heart of fools is in their mouth; But the mouth of wise men is their heart. When the ungodly curses Satan, He curses his own soul. A whisperer defiles his own soul, And will be hated wherever he sojourneth.
Avondgebed — tweede lezing
Gij heren, doet uw dienstknechten recht en gelijk, wetende, dat ook gij een Heere hebt in de hemelen. Houdt sterk aan in het gebed, en waakt in hetzelve met dankzegging; Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur des Woords opene, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben; Opdat ik dezelve moge openbaren, gelijk ik moet spreken. Wandelt met wijsheid bij degenen, die buiten zijn, den bekwamen tijd uitkopende. Uw woord zij te allen tijde in aangenaamheid, met zout besprengd, opdat gij moogt weten, hoe gij een iegelijk moet antwoorden. Al mijn zaken zal u bekend maken Tychikus, de geliefde broeder, en getrouwe dienaar, en mededienstknecht in de Heere; Denwelken ik tot hetzelfde einde tot u gezonden heb, opdat hij uw zaken wete, en uw harten vertrooste; Met Onesimus, den getrouwen en geliefden broeder, dewelke uit de uwen is; zij zullen u alles bekend maken, wat hier is. U groet Aristarchus, mijn medegevangene; en Markus, de neef van Barnabas, aangaande welken gij bevelen ontvangen hebt; zo hij tot u komt, ontvangt hem; En Jezus, gezegd Justus, welke uit de besnijdenis zijn; deze alleen zijn mijn medearbeiders in het Koninkrijk Gods, die mij een vertroosting geweest zijn. U groet Epafras, die uit de uwen is, een dienstknecht van Christus, te allen tijde strijdende voor u in de gebeden, opdat gij staan moogt volmaakt en volkomen in al den wil van God. Want ik geef hem getuigenis, dat hij groten ijver heeft over u en degenen, die in Laodicea zijn, en degenen, die in Hierapolis zijn. U groet Lukas, de medicijnmeester, de geliefde, en Demas. Groet de broeders, die in Laodicea zijn, en Nymfas, en de Gemeente, die in zijn huis is. En wanneer deze zendbrief van u zal gelezen zijn, maakt, dat hij ook in de gemeente der Laodicensen gelezen worde, en dat ook gij dien leest, die uit Laodicea geschreven is. En zegt aan Archippus: Zie op de bediening, die gij aangenomen hebt in de Heere, dat gij die vervult. De groetenis met mijn hand, van Paulus. Gedenkt mijn banden. De genade zij met u. Amen.
De lezingen volgen het Book of Common Prayer van 1662 (publiek domein). De tekst van de Schrift is publiek domein. (Statenvertaling)
Lezingen van de dag, elke ochtend
In Bosko staan de lezingen van de dag elke ochtend voor u klaar — vink elke lezing af als gelezen zodat u nooit uw plek verliest, lees ze in een van de 30 vertalingen en sta stil bij een korte overweging. De dagelijkse lezingen van uw traditie, bijgehouden en altijd binnen handbereik.

