Bosko

Lezingen van de dag

De Bijbellezingen die voor de dag zijn vastgesteld, met de volledige tekst in uw eigen taal. Volg elke ochtend de dagelijkse lezingen van uw traditie in de Bosko-app.

Ochtendgebed — eerste lezing

Baruch 4

Van dit boek bestaat in uw taal geen uitgave in het publieke domein, en daarom wordt deze passage in het Engels weergegeven.

This is the book of the commandments of God, and the law that endures for ever: all those who hold it fast are appointed to life; but such as leave it shall die. Turn you, O Jacob, and take hold of it: walk towards her shining in the presence of the light thereof. Give not your glory to another, nor the things that are profitable to you to a strange nation. O Israel, happy are we: for the things that are pleasing to God are made known to us. Be of good cheer, my people, the memorial of Israel. You⌃ were sold to the nations, but not for destruction: because you⌃ moved God to wrath, you⌃ were delivered to your adversaries. For you⌃ provoked him that made you by sacrificing to demons, and not to God. You⌃ forgat the everlasting God, that brought you up; you⌃ grieved also Jerusalem, that nursed you. For she saw the wrath that is come upon you from God, and said, Hearken, you⌃ women that dwell about Sion: for God has brought upon me great mourning; for I have seen the captivity of my sons and daughters, which the Everlasting has brought upon them. For with joy did I nourish them; but sent them away with weeping and mourning. Let no man rejoice over me, a widow, and forsaken of many: for the sins of my children am I left desolate; because they turned away from the law of God, and had no regard to his statutes, neither walked they in the ways of God’s commandments, nor trod in the paths of discipline in his righteousness. Let those who dwell about Sion come, and remember you⌃ the captivity of my sons and daughters, which the Everlasting has brought upon them. For he has brought a nation upon them from far, a shameless nation, and of a strange language, who neither reverenced old man, nor pitied child. And they have carried away the dear beloved sons of the widow, and left her that was alone desolate of her daughters. But I, what can I help you? For he that brought these plagues upon you will deliver you from the hand of your enemies. Go your way, O my children, go your way: for I am left desolate. I have put off the garment of peace, and put upon me the sackcloth of my petition: I will cry to the Everlasting as long as I live. Be of good cheer, O my children, cry to God, and he shall deliver you from the power and hand of the enemies. For I have trusted in the Everlasting, that he will save you; and joy is come to me from the Holy One, because of the mercy which shall soon come to you from the Everlasting your Saviour. For I sent you out with mourning and weeping: but God will give you to me again with joy and gladness forever. For like as now those who dwell about Sion have seen your captivity: so shall they see shortly your salvation from our God, which shall come upon you with great glory, and brightness of the Everlasting. My children, suffer patiently the wrath that is come upon you from God: for your enemy has persecuted you; but shortly you shall see his destruction, and shall tread upon their necks. My delicate ones have gone rough ways; they were taken away as a flock carried off by the enemies. Be of good cheer, O my children, and cry to God: for you⌃ shall be remembered of him that has brought these things upon you. For as it was your mind to go astray from God: so, return and seek him ten times more. For he that brought these plagues upon you shall bring you everlasting joy again with your salvation. Be of good cheer, O Jerusalem: for he that called you by name will comfort you. Miserable are those who afflicted you, and rejoiced at your fall. Miserable are the cities which your children served: miserable is she that received your sons. For as she rejoiced at your fall, and was glad of your ruin: so shall she be grieved for her own desolation. And I will take away her exultation in her great multitude, and her boasting shall be turned into mourning. For fire shall come upon her from the Everlasting, long to endure; and she shall be inhabited of devils for a great time. O Jerusalem, look about you toward the east, and behold the joy that comes to you from God. Behold, your sons come, whom you sent away, they come gathered together from the east to the west at the word of the Holy One, rejoicing in the glory of God.

Ochtendgebed — tweede lezing

Johannes 13

En voor het feest van het pascha, Jezus wetende, dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde. En als het avondmaal gedaan was,, toen nu de duivel in het hart van Judas, Simons zoon, Iskariot, gegeven had, dat hij Hem verraden zou), Jezus, wetende, dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat Hij van God uitgegaan was, en tot God heenging, Stond op van het avondmaal, en legde Zijn klederen af, en nemende een linnen doek, omgordde Zichzelven. Daarna goot Hij water in het bekken, en begon de voeten der discipelen te wassen, en af te drogen met den linnen doek, waarmede Hij omgord was. Hij dan kwam tot Simon Petrus; en die zeide tot Hem: Heere, zult Gij mij de voeten wassen? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan. Petrus zeide tot Hem: Gij zult mijn voeten niet wassen in der eeuwigheid! Jezus antwoordde hem: Indien Ik u niet wasse, gij hebt geen deel met Mij. Simon Petrus zeide tot Hem: Heere, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd. Jezus zeide tot hem: Die gewassen is, heeft niet van node, dan de voeten te wassen, maar is geheel rein. En gijlieden zijt rein, doch niet allen. Want Hij wist, wie Hem verraden zou; daarom zeide Hij: Gij zijt niet allen rein. Als Hij dan hun voeten gewassen, en Zijn klederen genomen had, zat Hij wederom aan, en zeide tot hen: Verstaat gij, wat Ik ulieden gedaan heb? Gij heet Mij Meester en Heere; en gij zegt wel, want Ik ben het. Indien dan Ik, de Heere en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo zijt gij ook schuldig, elkanders voeten te wassen. Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gijlieden ook doet. Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder, dan die hem gezonden heeft. Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, zo gij dezelve doet. Ik zeg niet van u allen: Ik weet, welke Ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt, opdat de Schrift vervuld worde: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn verzenen opgeheven. Van nu zeg Ik het ulieden, eer het geschied is, opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij geloven moogt, dat Ik het ben. Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo Ik iemand zende, wie dien ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. Jezus, deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in den geest, en betuigde, en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat een van ulieden Mij zal verraden. De discipelen dan zagen op elkander, twijfelende, van wien Hij dat zeide. En een van Zijn discipelen was aanzittende in den schoot van Jezus, welken Jezus liefhad. Simon Petrus dan wenkte dezen, dat hij vragen zou, wie hij toch ware, van welken Hij dit zeide. En deze, vallende op de borst van Jezus, zeide tot Hem: Heere, wie is het? Jezus antwoordde: Deze is het, dien Ik de bete, als Ik ze ingedoopt heb, geven zal. En als Hij de bete ingedoopt had, gaf Hij ze Judas, Simons zoon, Iskariot. En na de bete, toen voer de satan in hem. Jezus dan zeide tot hem: Wat gij doet, doe het haastelijk. En dit verstond niemand dergenen, die aanzaten, waartoe Hij hem dat zeide. Want sommigen meenden, dewijl Judas de beurs had, dat hem Jezus zeide: Koop, hetgeen wij van node hebben tot het feest, of, dat hij den armen wat geven zou. Hij dan, de bete genomen hebbende, ging terstond uit. En het was nacht. Als hij dan uitgegaan was, zeide Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt. Indien God in Hem verheerlijkt is, zo zal ook God Hem verheerlijken in Zichzelven, en Hij zal Hem terstond verheerlijken. Kinderkens, nog een kleinen tijd ben Ik bij u. Gij zult Mij zoeken, en gelijk Ik den Joden gezegd heb: Waar Ik heenga, kunt gij niet komen; alzo zeg Ik ulieden nu ook. Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt. Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijn discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander. Simon Petrus zeide tot Hem: Heere, waar gaat Gij heen? Jezus antwoordde hem: Waar Ik heenga, kunt gij Mij nu niet volgen; maar gij zult Mij namaals volgen. Petrus zeide tot Hem: Heere, waarom kan ik U nu niet volgen? Ik zal mijn leven voor U zetten. Jezus antwoordde hem: Zult gij uw leven voor Mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet kraaien, totdat gij Mij driemaal verloochend zult hebben.

Avondgebed — eerste lezing

Baruch 5

Van dit boek bestaat in uw taal geen uitgave in het publieke domein, en daarom wordt deze passage in het Engels weergegeven.

Put off, O Jerusalem, the garment of your mourning and affliction, and put on the comeliness of the glory that comes from God forever. Cast about you the robe of the righteousness which comes from God; set a diadem on your head of the glory of the Everlasting. For God will show your brightness to every region under heaven. For your name shall be called of God forever The peace of righteousness, and The glory of godliness. Arise, O Jerusalem, and stand upon the height, and look about you toward the east, and behold your children gathered from the going down of the sun to the rising thereof at the word of the Holy One, rejoicing that God has remembered them. For they went from you on foot, being led away of their enemies: but God brings them in to you borne on high with glory, as on a royal throne. For God has appointed that every high mountain, and the everlasting hills, should be made low, and the valleys filled up, to make plain the ground, that Israel may go safely in the glory of God. Moreover the woods and every sweet smelling tree have overshadowed Israel by the commandment of God. For God shall lead Israel with joy in the light of his glory with the mercy and righteousness that comes from him.

Avondgebed — tweede lezing

2 Timoteüs 4

Ik betuig dan voor God en den Heere Jezus Christus, Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk: Predik het woord; houd aan tijdelijk, ontijdelijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer. Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden; En zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keren tot fabelen. Maar gij, wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe het werk van een evangelist, maak, dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij. Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geeindigd, ik heb het geloof behouden; Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben. Benaarstig u haastelijk tot mij te komen. Want Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd; Krescens naar Galatie, Titus naar Dalmatie. Lukas is alleen met mij. Neem Markus mede, en breng hem met u; want hij is mij zeer nut tot den dienst. Maar Tychikus heb ik naar Efeze gezonden. Breng den reismantel mede, dien ik te Troas bij Karpus gelaten heb, als gij komt, en de boeken, inzonderheid de perkamenten. Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaads betoond; de Heere vergelde hem naar zijn werken. Van welken wacht gij u ook, want hij heeft onze woorden zeer tegengestaan. In mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend. Maar de Heere heeft mij bijgestaan, en heeft mij bekrachtigd; opdat men door mij ten volle zou verzekerd zijn van de prediking, en alle heidenen dezelve zouden horen. En ik ben uit de muil des leeuws verlost. En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. Groet Priska en Aquila, en het huis van Onesiforus. Erastus is te Korinthe gebleven; en Trofimus heb ik te Milete krank gelaten. Benaarstig u, om voor den winter te komen. U groet Eubulus, en Pudens, en Linus, en Klaudia, en al de broeders. De Heere Jezus Christus zij met uw geest. De genade zij met ulieden. Amen.

De lezingen volgen het Book of Common Prayer van 1662 (publiek domein). De tekst van de Schrift is publiek domein. (Statenvertaling)

Lezingen van de dag, elke ochtend

In Bosko staan de lezingen van de dag elke ochtend voor u klaar — vink elke lezing af als gelezen zodat u nooit uw plek verliest, lees ze in een van de 30 vertalingen en sta stil bij een korte overweging. De dagelijkse lezingen van uw traditie, bijgehouden en altijd binnen handbereik.