Bosko

Lezingen van de dag

De Bijbellezingen die voor de dag zijn vastgesteld, met de volledige tekst in uw eigen taal. Volg elke ochtend de dagelijkse lezingen van uw traditie in de Bosko-app.

Ochtendgebed — eerste lezing

Judith 5

Van dit boek bestaat in uw taal geen uitgave in het publieke domein, en daarom wordt deze passage in het Engels weergegeven.

Holofernes, the chief captain of the army of Asshur, was told that the children of Israel had prepared for war, had shut up the passages of the hill country, had fortified all the tops of the high hills, and had laid impediments in the plains. Then he was exceedingly angry, and he called all the princes of Moab, and the captains of Ammon, and all the governors of the sea coast, and he said to them, “Tell me now, you sons of Canaan, who are these people who dwell in the hill country? What are the cities that they inhabit? How large is their army? Where is their power and their strength? What king is set over them, to be the leader of their army? Why have they turned their backs, that they should not come and meet me, more than all that dwell in the west?” Then Achior, the leader of all the children of Ammon, said to him, “Let my lord now hear a word from the mouth of your servant, and I will tell you the truth concerning these people who dwell in this hill country, near to the place where you dwell. No lie will come out of the mouth of your servant. These people are descended from the Chaldeans. They sojourned before this in Mesopotamia, because they didn’t want to follow the gods of their fathers, which were in the land of the Chaldeans. They departed from the way of their parents, and worshipped the God of heaven, the God whom they knew. Their parents cast them out from the face of their gods, and they fled into Mesopotamia, and sojourned there many days. Then their God commanded them to depart from the place where they sojourned, and to go into the land of Canaan. They lived there, and prospered with gold and silver, and with exceedingly much cattle. Then they went down into Egypt, for a famine covered all the land of Canaan. They sojourned there until they had grown up. They became a great multitude there, so that one could not count the population of their nation. Then the king of Egypt rose up against them, and dealt subtly with them, and brought them low, making them labor in brick, and made them slaves. They cried to their God, and he struck all the land of Egypt with incurable plagues; so the Egyptians cast them out of their sight. God dried up the Red sea before them, and brought them into the way of Sinai Kadesh-Barnea, and they cast out all that lived in the wilderness. They lived in the land of the Amorites, and they destroyed by their strength everyone in Heshbon. Passing over Jordan, they possessed all the hill country. They cast out before them the Canaanite, the Perizzite, the Jebusite, the Shechemite, and all the Girgashites, and they lived in that country many days. And while they didn’t sin not before their God, they prospered, because God who hates iniquity was with them. But when they departed from the way which he appointed them, they were destroyed in many severe battles, and were led captives into a land that was not theirs. The temple of their God was cast to the ground, and their cities were taken by their adversaries. And now they have returned to their God, and have come up from the dispersion where they were dispersed, and have possessed Jerusalem, where their sanctuary is, and are seated in the hill country; for it was desolate. And now, my lord and master, if there is any error in this people, and they sin against their God, we will consider what this thing is in which they stumble, and we will go up and overcome them. But if there is no lawlessness in their nation, let my lord now pass by, lest their Lord defend them, and their God be for them, and we will be a reproach before all the earth.” It came to pass, when Achior had finished speaking these words, all the people standing around the tent murmured. The great men of Holofernes, and all that lived by the sea side and in Moab, said that he should kill him. For, they said, “We will not be afraid of the children of Israel, bcause, behold, they are a people that has no power nor might to make the battle strong. Therefore now we will go up, and they will be a prey to be devoured by all your army, Lord Holofernes.”

Ochtendgebed — tweede lezing

Marcus 10

En van daar opgestaan zijnde, ging Hij naar de landpalen van Judea, door de overzijde van de Jordaan; en de scharen kwamen wederom samen bij Hem, en gelijk Hij gewoon was, leerde Hij hen wederom. En de Farizeen, tot Hem komende, vraagden Hem, of het een man geoorloofd is, zijn vrouw te verlaten, Hem verzoekende. Maar Hij antwoordende, zeide tot hen: Wat heeft u Mozes geboden? En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten een scheidbrief te schrijven, en haar te verlaten. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Vanwege de hardigheid uwer harten heeft hij ulieden dat gebod geschreven. Maar van het begin der schepping heeft ze God man en vrouw gemaakt. Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen; En die twee zullen tot een vlees zijn, alzo dat zij niet meer twee zijn, maar een vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet. En in het huis vraagden Hem Zijn discipelen wederom van hetzelve. En Hij zeide tot hen: Zo wie zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel tegen haar. En indien een vrouw haar man zal verlaten, en met een anderen trouwen, die doet overspel. En zij brachten kinderkens tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten. Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods. Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt, gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan. En Hij omving ze met Zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij dezelve. En als Hij uitging op den weg, liep een tot Hem, en voor Hem op de knieen vallende, vraagde Hem: Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beerve? En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed, dan Een, namelijk God. Gij weet de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; gij zult niemand te kort doen; eer uw vader en uw moeder. Doch hij, antwoordende, zeide tot Hem: Meester! al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af. En Jezus, hem aanziende, beminde hem, en zeide tot hem: Een ding ontbreekt u; ga heen, verkoop alles, wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op, en volg Mij. Maar hij, treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg; want hij had vele goederen. En Jezus rondom ziende, zeide tot Zijn discipelen: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk Gods inkomen! En de discipelen werden verbaasd over deze Zijn woorden. Maar Jezus, wederom antwoordende, zeide tot hen: Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk Gods ingaan! Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga. En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkander: Wie kan dan zalig worden? Doch Jezus, hen aanziende, zeide: Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God. En Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd. En Jezus, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg Ik ulieden: Er is niemand, die verlaten heeft huis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijnentwil en des Evangelies wil, Of hij ontvangt honderdvoud, nu in dezen tijd, huizen, en broeders, en zusters, en moeders, en kinderen, en akkers, met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven. Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en velen, die de laatsten zijn, de eersten. En zij waren op den weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen; en zij waren verbaasd, en Hem volgende, waren zij bevreesd. En de twaalven wederom tot Zich nemende, begon Hij hun te zeggen de dingen, die Hem overkomen zouden; Zeggende: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren, en den Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem den heidenen overleveren; En zij zullen Hem bespotten, en Hem geselen, en Hem bespuwen, en Hem doden; en ten derden dage zal Hij weder opstaan. En tot Hem kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, zeggende: Meester! wij wilden wel, dat Gij ons deedt, zo wat wij begeren zullen. En Hij zeide tot hen: Wat wilt gij, dat Ik u doe? En zij zeiden tot Hem: Geef ons, dat wij mogen zitten, de een aan Uw rechter hand, en de ander aan Uw linker hand in Uw heerlijkheid. Maar Jezus zeide tot hen: Gij weet niet, wat gij begeert. Kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drink, en met den doop gedoopt worden, daar Ik mede gedoopt word? En zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. Doch Jezus zeide tot hen: Den drinkbeker, dien Ik drink, zult gij wel drinken, en met den doop gedoopt worden, daar Ik mede gedoopt word; Maar het zitten tot Mijn rechter hand en tot Mijn linker hand staat bij Mij niet te geven; maar het zal gegeven worden dien het bereid is. En als de andere tien dit hoorden, begonnen zij het van Jakobus en Johannes zeer kwalijk te nemen. Maar Jezus, het tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Gij weet, dat degenen, die geacht worden oversten te zijn der volken, heerschappij voeren over hen, en hun groten gebruiken macht over hen. Doch alzo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn. En zo wie van u de eerste zal willen worden, die zal aller dienstknecht zijn. Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen, om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timeus, Bar-timeus, de blinde, aan den weg, bedelende. En horende, dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner. En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel temeer: Gij Zone Davids! ontferm U mijner. En Jezus, stil staande, zeide, dat men hem roepen zou; en zij riepen den blinde, zeggende tot hem: Heb goeden moed; sta op; Hij roept u. En hij, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op, en kwam tot Jezus. En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En de blinde zeide tot Hem: Rabboni! dat ik ziende mag worden. En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op den weg.

Avondgebed — eerste lezing

Judith 6

Van dit boek bestaat in uw taal geen uitgave in het publieke domein, en daarom wordt deze passage in het Engels weergegeven.

And when the disturbance of the men that were around the council had ceased, Holofernes the chief captain of the army of Asshur said to Achior and to all the children of Moab before all the people of the foreigners, “And who are you, Achior, and the hirelings of Ephraim, that you have prophesied among us as today, and have said that we should not make war with the race of Israel, because their God will defend them? And who is God but Nebuchadnezzar? He will send forth his might, and will destroy them from the face of the earth, and their God will not deliver them; but we his servants will strike them as one man. They will not sustain the might of our horses. For with them we will burn them up. Their mountains will be drunken with their blood. Their plains will be filled with their dead bodies. Their footsteps will not stand before us, but they will surely perish, says king Nebuchadnezzar, lord of all the earth; for he said, ‘The words that I have spoken will not be in vain.’ But you, Achior, hireling of Ammon, who have spoken these words in the day of your iniquity, will see my face no more from this day, until I am avenged of the race of those that came out of Egypt. And then the sword of my army, and the multitude of those who serve me, will pass through your sides, and you will fall among their slain when I return. Then my servants will bring you back into the hill country, and will set you in one of the cities of the ascents. You will not perish until you are destroyed with them. And if you hope in your heart that they will not be taken, don’t let your countenance fall. I have spoken it, and none of my words will fall to the ground. ” Then Holofernes commanded his servants who waited in his tent to take Achior, and bring him back to Bethulia, and deliver him into the hands of the children of Israel. So his servants took him, and brought him out of the camp into the plain, and they moved from the midst of the plains into the hill country, and came to the springs that were under Bethulia. When the men of the city saw them on the top of the hill, they took up their weapons, and went out of the city against them to the top of the hill. Every man that used a sling kept them from coming up, and cast stones against them. They took cover under the hill, bound Achior, cast him down, left him at the foot of the hill, and went away to their lord. But the children of Israel descended from their city, and came to him, untied him, led him away into Bethulia, and presented him to the rulers of their city; which were in those days Ozias the son of Micah, of the tribe of Simeon, and Chabris the son of Gothoniel, and Charmis the son of Melchiel. Then they called together all the elders of the city; and all their young men ran together, with their women, to the assembly. They set Achior in the midst of all their people. Then Ozias asked him what had happened. He answered and declared to them the words of the council of Holofernes, and all the words that he had spoken in the midst of the princes of the children of Asshur, and all the great words that Holofernes had spoken against the house of Israel. Then the people fell down and worshipped God, and cried, saying, “O Lord God of heaven, behold their arrogance, and pity the low estate of our race. Look upon the face of those who are sanctified to you this day.” They comforted Achior, and praised him exceedingly. Then Ozias took him out of the assembly into his house, and made a feast for the elders. They called on the God of Israel for help all that night.

Avondgebed — tweede lezing

2 Korintiërs 6

En wij, als medearbeidende, bidden u ook, dat gij de genade Gods niet tevergeefs moogt ontvangen hebben. Want Hij zegt: In den aangenamen tijd heb Ik u verhoord, en in den dag der zaligheid heb Ik u geholpen. Ziet, nu is het de welaangename tijd, ziet, nu is het de dag der zaligheid! Wij geven geen aanstoot in enig ding, opdat de bediening niet gelasterd worde. Maar wij, als dienaars van God, maken onszelven in alles aangenaam, in vele verdraagzaamheid, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, In slagen, in gevangenissen, in beroerten, in arbeid, in waken, in vasten, In reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in goedertierenheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde, In het woord der waarheid, in de kracht van God, door de wapenen der gerechtigheid aan de rechter en aan de linker zijde; Door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders, en nochtans waarachtigen; Als onbekenden, en nochtans bekend; als stervenden, en ziet, wij leven; als getuchtigd, en niet gedood; Als droevig zijnde, doch altijd blijde; als arm, doch velen rijk makende; als niets hebbende, en nochtans alles bezittende. Onze mond is opengedaan tegen u, o Korinthiers, ons hart is uitgebreid. Gij zijt niet nauw in ons, maar gij zijt nauw in uw ingewanden. Nu, om dezelfde vergelding te doen,, ik spreek als tot mijn kinderen) zo wordt gij ook uitgebreid. Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen; want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? En wat samenstemming heeft Christus met Belial, of wat deel heeft de gelovige met den ongelovige? Of wat samenvoeging heeft de tempel Gods met de afgoden? Want gij zijt de tempel des levenden Gods; gelijkerwijs God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een volk zijn. Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen. En Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige.

De lezingen volgen het Book of Common Prayer van 1662 (publiek domein). De tekst van de Schrift is publiek domein. (Statenvertaling)

Lezingen van de dag, elke ochtend

In Bosko staan de lezingen van de dag elke ochtend voor u klaar — vink elke lezing af als gelezen zodat u nooit uw plek verliest, lees ze in een van de 30 vertalingen en sta stil bij een korte overweging. De dagelijkse lezingen van uw traditie, bijgehouden en altijd binnen handbereik.